Passé composé
De passé composé is een verleden tijd. Je kunt het in het Nederlands vergelijken met 'ik heb gegeten' of 'wij zijn gegaan'.
In deze uitleg ontdek je stap voor stap hoe deze belangrijke Franse verleden tijd wordt gevormd en wanneer je hem toepast. De passé composé gebruik je om te vertellen over gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden en afgerond zijn.
Je leert onder andere hoe je de juiste hulpwerkwoorden (avoir en être) kiest, hoe het voltooid deelwoord wordt gevormd en welke uitzonderingen je moet kennen. Met duidelijke voorbeelden en handige tips wordt de passé composé een stuk makkelijker om te begrijpen en toe te passen.
Hoe maak ik een passé composé?
De passé composé heeft een vaste samenstelling: vervoeging van avoir (hebben) of être (zijn) + voltooid deelwoord
Een voltooid deelwoord is een 'ge-' woordje in het Nederlands (gegeten, gedaan, gefietst, gewerkt). De meeste vormen maak je met avoir (hebben), bijvoorbeeld:
Met avoir:
J'ai travaillé = ik heb gewerkt
Tu as travaillé = jij hebt gewerkt
Nous avons travaillé = wij hebben gewerkt
Zoals je ziet veranderd travaillé (gewerkt) niet. Het is dus belangrijk dat je avoir en être goed kent.
Hoe maak ik een voltooid deelwoord?
Regelmatige werkwoorden
Een voltooid deelwoord maken bij regelmatige werkwoorden is makkelijk. Je haalt de uitgang van het werkwoord af (-er/-re/-ir) en je plakt er de juiste uitgang achter.
De uitgangen zijn als volgt:
werkwoorden op -er: é (travaillé = gewerkt)
Werkwoorden op -re: u (vendu = verkocht)
Werkwoorden op -ir: i (fini= geëindigd)
Onregelmatige werkwoorden
De voltooid deelwoorden van onregelmatige werkwoorden die moet je helaas gewoon leren. Hieronder vind je wat veel voorkomende:
Werkwoord
Avoir
Être
Faire
Dire
Écrire
Lire
Voir
Boire
Devoir
Pouvoir
Vouloir
Savoir
Ouvrir
Vertaling
hebben
zijn
doen/maken
zeggen
schrijven
lezen
zien
drinken
moeten
kunnen
willen
weten
openen
Voltooid deelwoord
eu
été
fait
dit
écrit
lu
vu
bu
dû
pu
voulu
su
ouvert
Vertaling
gehad
geweest
gedaan/gemaakt
gezegd
geschreven
gelezen
gezien
gedronken
gemoeten
gekund
gewild
geweten
geopend
Hulpwerkwoord
Avoir
Avoir (let op! Dit is anders dan in NL)
Avoir
Avoir
Avoir
Avoir
Avoir
Avoir
Avoir
Avoir
Avoir
Avoir
Avoir
Passé composé met être
Een aantal werkwoorden van beweging en alle wederkerende werkwoorden gebruiken être. Bij être moet het voltooid deelwoord zich aanpassen aan het onderwerp:
Il est allé = Hij is gegaan
Elle est allée = Zij is gegaan
ils sont allés = zij zijn gegaan
Elles sont allées = zij zijn gegaan
Vrouwelijk: extra -e
Voor meervoud: extra -s
Voor vrouwelijk meervoud: extra -es
Au travail!
Passé composé
Kies werkwoorden: