Passé composé

De passé composé is een verleden tijd. Je kunt het in het Nederlands vergelijken met 'ik heb gegeten' of 'wij zijn gegaan'.

In deze uitleg ontdek je stap voor stap hoe deze belangrijke Franse verleden tijd wordt gevormd en wanneer je hem toepast. De passé composé gebruik je om te vertellen over gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden en afgerond zijn.

Je leert onder andere hoe je de juiste hulpwerkwoorden (avoir en être) kiest, hoe het voltooid deelwoord wordt gevormd en welke uitzonderingen je moet kennen. Met duidelijke voorbeelden en handige tips wordt de passé composé een stuk makkelijker om te begrijpen en toe te passen.

Wanneer gebruik ik een passé Composé?

De passé composé gebruik je wanneer je vertelt over iets dat in het verleden is gebeurd en als afgerond wordt gezien. Het gaat vaak om een gebeurtenis die op een bepaald moment heeft plaatsgevonden.

Voorbeelden:

  • J'ai regardé un film hier soir. — Ik heb gisteravond een film gekeken.
  • Nous sommes allés à Paris samedi. — We zijn zaterdag naar Parijs gegaan.
  • Elle a acheté une nouvelle robe. — Zij heeft een nieuwe jurk gekocht.

Je kunt de passé composé ook gebruiken wanneer je meerdere gebeurtenissen achter elkaar vertelt:

Je suis rentré chez moi, j'ai mangé et j'ai fait mes devoirs.

Ik kwam thuis, ik at en ik maakte mijn huiswerk.

Woorden zoals hier, samedi, la semaine dernière, ce matin en il y a deux jours kunnen aangeven dat je over een afgeronde gebeurtenis in het verleden praat.

Hoe maak ik een passé composé?

De passé composé heeft een vaste samenstelling:  vervoeging van avoir (hebben) of être (zijn) + voltooid deelwoord

Een voltooid deelwoord is een 'ge-' woordje in het Nederlands (gegeten, gedaan, gefietst, gewerkt). De meeste vormen maak je met avoir (hebben), bijvoorbeeld:

Met avoir: 
J'ai travaillé = ik heb gewerkt
Tu as travaillé = jij hebt gewerkt
Nous avons travaillé = wij hebben gewerkt

Zoals je ziet veranderd travaillé (gewerkt) niet. Het is dus belangrijk dat je avoir en être goed kent. 

Hoe maak ik een voltooid deelwoord? 

Regelmatige werkwoorden
Een voltooid deelwoord maken bij regelmatige werkwoorden is makkelijk. Je haalt de uitgang van het werkwoord af (-er/-re/-ir) en je plakt er de juiste uitgang achter. 
De uitgangen zijn als volgt: 
werkwoorden op -er: é (travaillé = gewerkt)
Werkwoorden op -re: u (vendu = verkocht)
Werkwoorden op -ir: i (fini= geëindigd) 

Onregelmatige werkwoorden
De voltooid deelwoorden van onregelmatige werkwoorden die moet je helaas gewoon leren. Hieronder vind je wat veel voorkomende:

 

Werkwoord

Avoir

Être

Faire

Dire

Écrire

Lire

Voir

Boire

Devoir

Pouvoir

Vouloir

Savoir

Ouvrir

Vertaling

hebben

zijn

doen/maken

zeggen

schrijven

lezen

zien

drinken

moeten

kunnen

willen

weten

openen

Voltooid deelwoord

eu

été

fait

dit

écrit

lu

vu

bu

dû

pu

voulu

su

ouvert

Vertaling

gehad

geweest

gedaan/gemaakt

gezegd

geschreven

gelezen

gezien

gedronken

gemoeten

gekund

gewild

geweten

geopend

Hulpwerkwoord

Avoir

Avoir (let op! Dit is anders dan in NL)

Avoir

Avoir

Avoir

Avoir

Avoir

Avoir

Avoir

Avoir

Avoir

Avoir

Avoir

Passé composé met être

ij de meeste Franse werkwoorden gebruik je avoir om de passé composé te vormen.

J'ai mangé une pomme.
Tu as regardé un film.
Nous avons travaillé.

Een aantal werkwoorden gebruikt être. Dit zijn onder andere bepaalde werkwoorden van beweging en alle wederkerende werkwoorden.

Je suis allé(e) à Paris.
Elle est arrivée à huit heures.
Nous sommes partis hier.

Bij deze werkwoorden moet je goed letten op het onderwerp. Het voltooid deelwoord kan namelijk veranderen.

Il est arrivé.
Elle est arrivée.
Ils sont arrivés.
Elles sont arrivées.

Vrouwelijk: extra +e
Voor meervoud: extra +s
Voor vrouwelijk meervoud: extra +es

Let op: het gebruik van être en avoir komt niet altijd overeen met het Nederlands. Daarom is het belangrijk om bij veelvoorkomende werkwoorden te leren welk hulpwerkwoord je nodig hebt.

Passé composé met ontkenning

Je n'ai pas mangé.
Elle n'est pas venue.
Nous ne sommes pas partis.

Waar komt pas?

ne + hulpwerkwoord + pas + voltooid deelwoord

Je n'ai pas travaillé.

Au travail!

Passé composé

Score: 0
🐎

Kies werkwoorden:

Onregelmatig

Regelmatig