Futur proche
Wil je in het Frans vertellen wat je gaat doen? Dan heb je vaak de futur proche nodig. Deze Franse tijd gebruik je om te praten over iets dat in de nabije toekomst gaat gebeuren. Denk bijvoorbeeld aan: Ik ga vanavond studeren, wij gaan morgen naar Parijs of zij gaat een film kijken.
Hoe maak ik een futur proche?
De futur proche is een van de makkelijkste Franse tijden om te leren. Je hoeft namelijk geen ingewikkelde werkwoordsuitgangen uit je hoofd te leren. Je gebruikt een vorm van aller (gaan) en daarna een werkwoord in de infinitief (heel werkwoord).
Futur proche = aller + infinitief
De futur proche is een Franse werkwoordstijd waarmee je over de nabije toekomst praat. In het Nederlands vertaal je de futur proche meestal met gaan + werkwoord.
Bijvoorbeeld:
- Je vais manger. → Ik ga eten.
- Tu vas dormir. → Jij gaat slapen.
- Il va sortir → hij gaat uit
- Nous allons partir. → Wij gaan vertrekken.
- Vous allez parler → jullie gaan praten / u gaat praten
- Ils vont jouer au football. → Zij gaan voetballen.
Let goed op: alleen aller wordt vervoegd. Het tweede werkwoord blijft altijd in de infinitief.
Wanneer gebruik je de futur proche?
Je gebruikt de futur proche vooral wanneer je wilt aangeven dat iets binnenkort gaat gebeuren.
1. Voor plannen
Je kunt de futur proche gebruiken voor plannen die je in de toekomst gaat uitvoeren.
- Je vais faire mes devoirs ce soir.
→ Ik ga vanavond mijn huiswerk maken. - Nous allons visiter Paris demain.
→ Wij gaan morgen Parijs bezoeken.
2. Voor iets dat op het punt staat te gebeuren
Je kunt de futur proche ook gebruiken wanneer iets bijna gaat gebeuren.
- Le film va commencer.
→ De film gaat beginnen. - Il va pleuvoir.
→ Het gaat regenen.
3. Voor voorspellingen
De futur proche kan ook gebruikt worden voor iets waarvan je verwacht dat het binnenkort gebeurt.
- Attention, tu vas tomber !
→ Pas op, je gaat vallen! - Il va être trop tard.
→ Het gaat te laat worden.
Ontkenningen met de futur proche
Ook een ontkenning maken is eenvoudig. De ne ... pas komt rond de vervoegde vorm van aller te staan.
Dus:
Je vais manger.
Ik ga eten.
wordt:
Je ne vais pas manger.
Ik ga niet eten.
Let op: pas komt vóór het tweede werkwoord? Nee! De ontkenning staat rond aller.