Présent

De présent is de tegenwoordige tijd. Dus alles wat in het heden gebeurd. Denk aan: 'ik werk' of 'jij fietst'. Op deze pagina leer je het verschil tussen regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Ook wordt er hier uitgelegd hoe je deze vervoegt. 

Regelmatige werkwoorden vs. onregelmatige werkwoorden

Kort gezegd: regelmatige werkwoorden volgen een regel en onregelmatige werkwoorden moet je leren, oftewel: stampen. In het frans heb je 3 soorten regelmatige werkwoorden: werkwoorden die eindigen op -er/-re/-ir. 

Om een werkwoord te vervoegen haal je het einde van het werkwoord af (er/re/ir) en plak je de juiste uitgang erachter. De vervoeging van il/elle/on zijn altijd hetzelfde, daarom staan deze bij elkaar. 


Regelmatige werkwoorden

Regelmatige werkwoorden op -er (travailler - werken)

Persoonsvorm

Je

Tu

Il/Elle/On

Nous

Vous

Ils/Elles

Vertaling

Ik

Jij

Hij/Zij/Men (wij)

Wij

Jullie/U

Zij (mv)

Uitgang

-e

-es

-e

-ons

-ez

-ent

Voorbeeld

travaille

travailles

travaille

travaillons

travaillez

travaillent

Regelmatige werkwoorden op -re (vendre - verkopen)

Persoonsvorm

Je

Tu

Il/Elle/On

Nous

Vous

Ils/Elles

Vertaling

Ik

Jij

Hij/Zij/Men (wij)

Wij

Jullie/U

Zij (mv)

Uitgang

-s

-s

-

-ons

-ez

-ent

Voorbeeld

vends

vends

vend

vendons

vendez

vendent

Regelmatige werkwoorden op -ir (finir - eindigen)

Persoonsvorm

Je

Tu

Il/Elle/On

Nous

Vous

Ils/Elles

Vertaling

Ik

Jij

Hij/Zij/Men (wij)

Wij

Jullie/U

Zij (mv)

Uitgang

-is

-is

-it

-issons

-issez

-issent

Voorbeeld

finis

finis

finit

finissons

finissez

finissent


Au travail!

Regelmatige werkwoorden (présent)

Vervoeg het werkwoord tussen haakjes in de présent.

Onregelmatige werkwoorden

De onregelmatige werkwoorden zijn wat lastiger. Deze moet je uit je hoofd leren, dit kun je doen door het rijtje op te schrijven of door middel van oefeningen zoals onderaan deze pagina. Des te vaker je de werkwoorden herhaalt, des te makkelijker het wordt! 

De meest voorkomende onregelmatige werkwoorden in de présent vind je hieronder. 

Être (zijn)

Je suis
Tu es
il/elle/on est
Nous sommes
Vous êtes
Ils/elles sont

Faire (doen/maken)

Je fais
Tu fais
Il/elle/on fait
Nous faisons
Vous faites
Ils/Elles font

Avoir (hebben)

j'ai
tu as
il/elle/on a
Nous avons
Vous Avez
Ils/elles sont

Dire (zeggen)

Je dis
Tu dis
Il/elle/on dit
Nous disons
Vous dites
Ils/elles dissent

Aller (gaan)

Je vais
Tu vas
Il/elle/on va
Nous allons
Vous allez
Ils/elles vont

Voir (zien)

Je vois
Tu vois
Il/elle/on voit
Nous voisons
Vous voyez
Ils/elles voient

Au travail!

Onregelmatige werkwoorden

Onregelmatige werkwoorden oefenen (présent)

Kies een werkwoord: