FRANSE WOORDENSCHAT

Franse woordenlijst: Franse woorden met Nederlandse vertaling

Leer Frans met deze uitgebreide Franse woordenlijst veelgebruikte Franse woorden. Zoek eenvoudig op een Frans woord of Nederlandse vertaling en filter op niveau, woordsoort en categorie. Elk woord bevat een Franse voorbeeldzin met Nederlandse vertaling.

apprendre

leren
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'apprends le français tous les jours.

Ik leer elke dag Frans.

bonjour

hallo · goedendag
A1 overig
Begroeting
Voorbeeldzin bekijken

Bonjour, comment allez-vous ?

Goedendag, hoe gaat het met u?

pourtant

toch · nochtans
B1 bijwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Il est fatigué, pourtant il continue.

Hij is moe, toch gaat hij door.

acheter

kopen · aanschaffen
A1 werkwoord
Winkelen
Voorbeeldzin bekijken

Je voudrais acheter une nouvelle chemise.

Ik zou graag een nieuw overhemd willen kopen.

aider

helpen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Pouvez-vous m'aider, s'il vous plaît ?

Kunt u mij alstublieft helpen?

ami

vriend
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Mon meilleur ami habite à Paris.

Mijn beste vriend woont in Parijs.

appartement

appartement · flat
A1 zelfstandig naamwoord
Wonen
Voorbeeldzin bekijken

Nous avons un petit appartement en ville.

We hebben een klein appartement in de stad.

après

na · daarna
A1 voorzetsel
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous allons au café après le travail.

We gaan na het werk naar het café.

arbre

boom
A1 zelfstandig naamwoord
Natuur
Voorbeeldzin bekijken

Il y a un grand arbre devant la maison.

Er staat een grote boom voor het huis.

arriver

aankomen · arriveren
A1 werkwoord
Reizen
Voorbeeldzin bekijken

Le train arrive à huit heures.

De trein komt om acht uur aan.

assez

genoeg · tamelijk · behoorlijk
A2 bijwoord
Overig
Voorbeeldzin bekijken

Il fait assez chaud aujourd'hui.

Het is vandaag behoorlijk warm.

attendre

wachten · verwachten
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'attends le bus devant la gare.

Ik wacht voor het station op de bus.

aujourd'hui

vandaag
A1 bijwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Aujourd'hui, je travaille à la maison.

Vandaag werk ik thuis.

avec

met
A1 voorzetsel
Overig
Voorbeeldzin bekijken

Je vais au cinéma avec mes amis.

Ik ga met mijn vrienden naar de bioscoop.

beau

mooi · knap · prachtig
A1 bijvoeglijk naamwoord
Overig
Voorbeeldzin bekijken

C'est une très belle ville.

Het is een heel mooie stad.

besoin

behoefte · nodig hebben
A2 zelfstandig naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'ai besoin d'un peu de temps.

Ik heb wat tijd nodig.

beaucoup

veel · erg
A1 bijwoord
Overig
Voorbeeldzin bekijken

Merci beaucoup pour votre aide.

Heel erg bedankt voor uw hulp.

boire

drinken
A1 werkwoord
Eten en drinken
Voorbeeldzin bekijken

Je bois un verre d'eau.

Ik drink een glas water.

bon

goed · lekker
A1 bijvoeglijk naamwoord
Eten en drinken
Voorbeeldzin bekijken

Ce gâteau est vraiment bon.

Deze taart is echt lekker.

boîte

doos · blik
A2 zelfstandig naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

La boîte est sur la table.

De doos staat op tafel.

bureau

kantoor · bureau
A1 zelfstandig naamwoord
Werk
Voorbeeldzin bekijken

Je travaille dans un grand bureau.

Ik werk in een groot kantoor.

bus

bus
A1 zelfstandig naamwoord
Vervoer
Voorbeeldzin bekijken

Je prends le bus pour aller au travail.

Ik neem de bus om naar mijn werk te gaan.

café

café · koffie
A1 zelfstandig naamwoord
Eten en drinken
Voorbeeldzin bekijken

Nous prenons un café après le déjeuner.

We drinken koffie na de lunch.

chercher

zoeken
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je cherche mes clés.

Ik zoek mijn sleutels.

choisir

kiezen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Tu peux choisir le film ce soir.

Je kunt vanavond de film kiezen.

commencer

beginnen · starten
A1 werkwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Le cours commence à neuf heures.

De les begint om negen uur.

comprendre

begrijpen · verstaan
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je ne comprends pas cette question.

Ik begrijp deze vraag niet.

connaître

kennen
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je connais bien cette ville.

Ik ken deze stad goed.

content

tevreden · blij
A1 bijvoeglijk naamwoord
Gevoelens
Voorbeeldzin bekijken

Je suis très content de mon résultat.

Ik ben erg blij met mijn resultaat.

cuisiner

koken
A1 werkwoord
Eten en drinken
Voorbeeldzin bekijken

J'aime cuisiner pour ma famille.

Ik kook graag voor mijn familie.

danser

dansen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Nous aimons danser ensemble.

We dansen graag samen.

demain

morgen
A1 bijwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous partons demain matin.

We vertrekken morgenochtend.

demander

vragen · verzoeken
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je voudrais demander une information.

Ik zou graag om informatie willen vragen.

dernier

laatste · vorig
A2 bijvoeglijk naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

J'ai lu ce livre la semaine dernière.

Ik heb dit boek vorige week gelezen.

devenir

worden · veranderen
B1 werkwoord
Abstract
Voorbeeldzin bekijken

Elle veut devenir médecin.

Zij wil dokter worden.

devoir

moeten · verschuldigd zijn
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je dois travailler demain.

Ik moet morgen werken.

dire

zeggen · vertellen
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Que veux-tu dire ?

Wat wil je zeggen?

donner

geven
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je vais lui donner mon numéro.

Ik ga hem mijn nummer geven.

dormir

slapen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je dors huit heures par nuit.

Ik slaap acht uur per nacht.

école

school
A1 zelfstandig naamwoord
School
Voorbeeldzin bekijken

Les enfants vont à l'école à huit heures.

De kinderen gaan om acht uur naar school.

écrire

schrijven
A1 werkwoord
School
Voorbeeldzin bekijken

J'écris une lettre à mon ami.

Ik schrijf een brief aan mijn vriend.

enfant

kind
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Leur enfant aime jouer dehors.

Hun kind speelt graag buiten.

entendre

horen · verstaan
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je n'entends pas bien avec ce bruit.

Ik kan het door dit lawaai niet goed horen.

entrer

binnengaan · binnenkomen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Vous pouvez entrer maintenant.

U kunt nu binnenkomen.

envoyer

sturen · verzenden
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je vais t'envoyer un message.

Ik ga je een bericht sturen.

être

zijn
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je suis très heureux aujourd'hui.

Ik ben vandaag erg gelukkig.

faire

doen · maken
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Qu'est-ce que tu fais ce soir ?

Wat doe je vanavond?

femme

vrouw
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Cette femme travaille dans une école.

Deze vrouw werkt op een school.

finir

eindigen · afmaken
A1 werkwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je dois finir mes devoirs avant le dîner.

Ik moet mijn huiswerk voor het avondeten afmaken.

gauche

links · linker
A1 bijvoeglijk naamwoord
Richting
Voorbeeldzin bekijken

Tournez à gauche après la banque.

Sla na de bank linksaf.

gentil

aardig · vriendelijk · lief
A1 bijvoeglijk naamwoord
Persoonlijkheid
Voorbeeldzin bekijken

Mon voisin est très gentil.

Mijn buurman is erg aardig.

grand

groot · lang
A1 bijvoeglijk naamwoord
Beschrijving
Voorbeeldzin bekijken

Ils ont une grande maison.

Ze hebben een groot huis.

habiter

wonen · verblijven
A1 werkwoord
Wonen
Voorbeeldzin bekijken

J'habite dans une petite ville.

Ik woon in een kleine stad.

important

belangrijk
A1 bijvoeglijk naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

C'est une information importante.

Dat is belangrijke informatie.

jeune

jong
A1 bijvoeglijk naamwoord
Mensen
Voorbeeldzin bekijken

Elle est encore très jeune.

Ze is nog erg jong.

maintenant

nu · momenteel
A1 bijwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je dois partir maintenant.

Ik moet nu vertrekken.

français

Frans
A1 bijvoeglijk naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

J'apprends le français à l'école.

Ik leer Frans op school.

frère

broer
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Mon frère habite à Lyon.

Mijn broer woont in Lyon.

froid

koud
A1 bijvoeglijk naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

Il fait très froid aujourd'hui.

Het is vandaag erg koud.

gagner

winnen · verdienen
A2 werkwoord
Werk
Voorbeeldzin bekijken

Il veut gagner plus d'argent.

Hij wil meer geld verdienen.

garçon

jongen · ober
A1 zelfstandig naamwoord
Mensen
Voorbeeldzin bekijken

Le garçon joue dans le jardin.

De jongen speelt in de tuin.

garder

houden · bewaren
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je vais garder ce livre.

Ik ga dit boek bewaren.

habiter

wonen
A1 werkwoord
Wonen
Voorbeeldzin bekijken

J'habite dans une petite ville.

Ik woon in een kleine stad.

heure

uur · tijd
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Il est trois heures.

Het is drie uur.

hier

gisteren
A1 bijwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je suis arrivé hier.

Ik ben gisteren aangekomen.

histoire

verhaal · geschiedenis
A2 zelfstandig naamwoord
Cultuur
Voorbeeldzin bekijken

Cette histoire est très intéressante.

Dit verhaal is erg interessant.

hiver

winter
A1 zelfstandig naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

En hiver, il fait souvent froid.

In de winter is het vaak koud.

homme

man
A1 zelfstandig naamwoord
Mensen
Voorbeeldzin bekijken

Cet homme travaille avec moi.

Deze man werkt met mij.

important

belangrijk
A1 bijvoeglijk naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

C'est très important pour moi.

Dat is erg belangrijk voor mij.

jouer

spelen
A1 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

Les enfants jouent dans le parc.

De kinderen spelen in het park.

jour

dag
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je travaille tous les jours.

Ik werk elke dag.

jeune

jong
A1 bijvoeglijk naamwoord
Beschrijving
Voorbeeldzin bekijken

Elle est encore très jeune.

Ze is nog erg jong.

lire

lezen
A1 werkwoord
Onderwijs
Voorbeeldzin bekijken

J'aime lire avant de dormir.

Ik lees graag voordat ik ga slapen.

livre

boek
A1 zelfstandig naamwoord
Onderwijs
Voorbeeldzin bekijken

Je lis un livre intéressant.

Ik lees een interessant boek.

longtemps

lang · lange tijd
A2 bijwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous avons attendu longtemps.

We hebben lang gewacht.

maison

huis · woning
A1 zelfstandig naamwoord
Wonen
Voorbeeldzin bekijken

Notre maison est près du centre.

Ons huis ligt vlak bij het centrum.

mal

slecht · pijn
A1 bijwoord
Gezondheid
Voorbeeldzin bekijken

J'ai mal à la tête.

Ik heb hoofdpijn.

même

zelfde · zelfs
A2 bijvoeglijk naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Nous avons le même problème.

We hebben hetzelfde probleem.

mettre

zetten · doen · aantrekken
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je vais mettre ma veste.

Ik ga mijn jas aantrekken.

monde

wereld · mensen
A1 zelfstandig naamwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Il y a beaucoup de monde ici.

Er zijn hier veel mensen.

montrer

laten zien · tonen
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Pouvez-vous me montrer le chemin ?

Kunt u mij de weg wijzen?

mot

woord
A1 zelfstandig naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je ne comprends pas ce mot.

Ik begrijp dit woord niet.

nouveau

nieuw
A1 bijvoeglijk naamwoord
Beschrijving
Voorbeeldzin bekijken

J'ai un nouveau téléphone.

Ik heb een nieuwe telefoon.

nuit

nacht
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je dors bien la nuit.

Ik slaap 's nachts goed.

ouvrir

openen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Pouvez-vous ouvrir la fenêtre ?

Kunt u het raam openen?

parler

praten · spreken
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je parle français avec mes amis.

Ik spreek Frans met mijn vrienden.

partir

vertrekken
A1 werkwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Nous devons partir à huit heures.

We moeten om acht uur vertrekken.

passer

doorgaan · doorbrengen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Nous passons une semaine à Paris.

We brengen een week door in Parijs.

payer

betalen
A1 werkwoord
Winkelen
Voorbeeldzin bekijken

Je peux payer par carte ?

Kan ik met de kaart betalen?

petit

klein
A1 bijvoeglijk naamwoord
Beschrijving
Voorbeeldzin bekijken

J'habite dans un petit appartement.

Ik woon in een klein appartement.

peur

angst
A2 zelfstandig naamwoord
Gevoelens
Voorbeeldzin bekijken

J'ai peur de parler en public.

Ik ben bang om in het openbaar te spreken.

peut-être

misschien
A2 bijwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Peut-être que nous viendrons demain.

Misschien komen we morgen.

place

plaats · plek
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Il n'y a plus de place ici.

Er is hier geen plaats meer.

prendre

nemen · pakken
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je vais prendre le train.

Ik ga de trein nemen.

préférer

liever hebben · verkiezen
A2 werkwoord
Gevoelens
Voorbeeldzin bekijken

Je préfère le thé au café.

Ik heb liever thee dan koffie.

problème

probleem
A1 zelfstandig naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Nous avons un petit problème.

We hebben een klein probleem.

promettre

beloven
B1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je te promets de revenir demain.

Ik beloof je morgen terug te komen.

recevoir

ontvangen · krijgen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'ai reçu une lettre hier.

Ik heb gisteren een brief ontvangen.

regarder

kijken · bekijken
A1 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous regardons un film ce soir.

We kijken vanavond een film.

mettre

zetten · leggen · aandoen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je mets ma veste avant de sortir.

Ik doe mijn jas aan voordat ik naar buiten ga.

monde

wereld · mensen
A1 zelfstandig naamwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Il y a beaucoup de monde dans la rue.

Er zijn veel mensen op straat.

mois

maand
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je pars dans un mois.

Ik vertrek over een maand.

moment

moment · ogenblik
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Attendez un moment, s'il vous plaît.

Wacht een moment, alstublieft.

musique

muziek
A1 zelfstandig naamwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

J'écoute de la musique le soir.

Ik luister 's avonds naar muziek.

nuit

nacht
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je dors huit heures par nuit.

Ik slaap acht uur per nacht.

nouveau

nieuw · nieuwe
A1 bijvoeglijk naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'ai acheté une nouvelle voiture.

Ik heb een nieuwe auto gekocht.

numéro

nummer · getal
A1 zelfstandig naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Quel est votre numéro de téléphone ?

Wat is uw telefoonnummer?

ouvrir

openen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Peux-tu ouvrir la fenêtre ?

Kun je het raam openen?

parler

praten · spreken
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je parle français avec mes amis.

Ik spreek Frans met mijn vrienden.

partir

vertrekken · weggaan
A1 werkwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Nous partons demain matin.

Wij vertrekken morgenochtend.

passer

doorgaan · doorbrengen · langskomen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Nous passons la journée à Paris.

Wij brengen de dag door in Parijs.

payer

betalen
A1 werkwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Je voudrais payer par carte.

Ik wil graag met de kaart betalen.

petit

klein · kleine
A1 bijvoeglijk naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'habite dans un petit appartement.

Ik woon in een klein appartement.

place

plaats · plek
A1 zelfstandig naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Cette place est libre.

Deze plaats is vrij.

plaisir

plezier · genoegen
A2 zelfstandig naamwoord
Gevoelens
Voorbeeldzin bekijken

J'ai beaucoup de plaisir à lire.

Ik heb veel plezier in lezen.

porte

deur
A1 zelfstandig naamwoord
Huis
Voorbeeldzin bekijken

Ferme la porte, s'il te plaît.

Doe de deur dicht, alsjeblieft.

prendre

nemen · pakken
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je prends le bus tous les matins.

Ik neem elke ochtend de bus.

premier

eerste
A1 bijvoeglijk naamwoord
Hoeveelheid
Voorbeeldzin bekijken

C'est mon premier jour de travail.

Het is mijn eerste werkdag.

près

dichtbij · nabij
A1 bijwoord
Plaats
Voorbeeldzin bekijken

J'habite près de la gare.

Ik woon vlak bij het station.

problème

probleem
A2 zelfstandig naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Nous avons un petit problème.

We hebben een klein probleem.

professeur

leraar · docent
A1 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Mon professeur explique bien la grammaire.

Mijn leraar legt de grammatica goed uit.

question

vraag
A1 zelfstandig naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

J'ai une question.

Ik heb een vraag.

regarder

kijken · bekijken
A1 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous regardons un film ce soir.

We kijken vanavond een film.

répondre

antwoorden · reageren
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Pouvez-vous répondre à ma question ?

Kunt u mijn vraag beantwoorden?

repas

maaltijd
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Le repas est prêt.

De maaltijd is klaar.

rester

blijven
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je préfère rester à la maison ce soir.

Ik blijf vanavond liever thuis.

revenir

terugkomen · terugkeren
A2 werkwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Je vais revenir demain.

Ik kom morgen terug.

rue

straat
A1 zelfstandig naamwoord
Plaats
Voorbeeldzin bekijken

J'habite dans cette rue.

Ik woon in deze straat.

savoir

weten · kunnen
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je sais parler français.

Ik kan Frans spreken.

semaine

week
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je travaille cinq jours par semaine.

Ik werk vijf dagen per week.

soir

avond
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous mangeons ensemble le soir.

We eten 's avonds samen.

sortir

uitgaan · naar buiten gaan
A1 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous sortons avec nos amis ce soir.

We gaan vanavond met onze vrienden uit.

souvent

vaak · dikwijls
A1 bijwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je vais souvent au cinéma.

Ik ga vaak naar de bioscoop.

travailler

werken
A1 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Je travaille dans un bureau.

Ik werk op een kantoor.

trouver

vinden
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je ne trouve pas mes clés.

Ik kan mijn sleutels niet vinden.

utiliser

gebruiken
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Comment utiliser cette machine ?

Hoe gebruik je deze machine?

vendre

verkopen
A2 werkwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Ils vendent des vêtements en ligne.

Ze verkopen kleding online.

venir

komen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Tu viens avec nous ?

Kom je met ons mee?

vivre

leven · wonen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Elle vit en France depuis trois ans.

Ze woont al drie jaar in Frankrijk.

voir

zien
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je vois mes amis demain.

Ik zie mijn vrienden morgen.

vouloir

willen
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je voudrais un café, s'il vous plaît.

Ik zou graag een koffie willen, alstublieft.

voiture

auto
A1 zelfstandig naamwoord
Vervoer
Voorbeeldzin bekijken

Ma voiture est devant la maison.

Mijn auto staat voor het huis.

vrai

echt · waar
A1 bijvoeglijk naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

C'est une vraie histoire.

Het is een echt verhaal.

vite

snel · vlug
A1 bijwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Il faut marcher vite.

Je moet snel lopen.

visiter

bezoeken · bezichtigen
A1 werkwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Nous visitons Paris pendant les vacances.

We bezoeken Parijs tijdens de vakantie.

voyage

reis
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Mon voyage en France était magnifique.

Mijn reis naar Frankrijk was prachtig.

vacances

vakantie
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Nous partons en vacances en juillet.

We gaan in juli op vakantie.

valise

koffer
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Ma valise est très lourde.

Mijn koffer is erg zwaar.

train

trein
A1 zelfstandig naamwoord
Vervoer
Voorbeeldzin bekijken

Le train arrive à huit heures.

De trein komt om acht uur aan.

avion

vliegtuig
A1 zelfstandig naamwoord
Vervoer
Voorbeeldzin bekijken

L'avion part à midi.

Het vliegtuig vertrekt om twaalf uur.

chemin

weg · pad · route
A2 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Quel chemin faut-il prendre ?

Welke weg moeten we nemen?

plage

strand
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Les enfants jouent sur la plage.

De kinderen spelen op het strand.

montagne

berg
A1 zelfstandig naamwoord
Natuur
Voorbeeldzin bekijken

Nous aimons marcher dans les montagnes.

We wandelen graag in de bergen.

mer

zee
A1 zelfstandig naamwoord
Natuur
Voorbeeldzin bekijken

La mer est très calme aujourd'hui.

De zee is vandaag heel rustig.

soleil

zon
A1 zelfstandig naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

Il y a beaucoup de soleil aujourd'hui.

Er is vandaag veel zon.

pluie

regen
A1 zelfstandig naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

J'aime écouter la pluie.

Ik luister graag naar de regen.

neige

sneeuw
A1 zelfstandig naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

Il y a beaucoup de neige en hiver.

Er ligt veel sneeuw in de winter.

vent

wind
A1 zelfstandig naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

Il y a beaucoup de vent aujourd'hui.

Er staat vandaag veel wind.

saison

seizoen
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Quelle est ta saison préférée ?

Wat is je favoriete seizoen?

printemps

lente · voorjaar
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Les fleurs apparaissent au printemps.

De bloemen verschijnen in de lente.

décembre

december
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous fêtons Noël en décembre.

We vieren Kerstmis in december.

février

februari
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Février est un mois court.

Februari is een korte maand.

mai

mei
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous partons en mai.

We vertrekken in mei.

juin

juni
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

L'école finit en juin.

De school eindigt in juni.

septembre

september
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Les cours commencent en septembre.

De lessen beginnen in september.

octobre

oktober
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

En octobre, les jours deviennent plus courts.

In oktober worden de dagen korter.

novembre

november
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Il fait souvent froid en novembre.

Het is in november vaak koud.

famille

familie · gezin
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Ma famille habite en France.

Mijn familie woont in Frankrijk.

père

vader · papa
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Mon père travaille beaucoup.

Mijn vader werkt veel.

parents

ouders
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Mes parents vivent à Bruxelles.

Mijn ouders wonen in Brussel.

fils

zoon
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Mon fils aime jouer au football.

Mijn zoon speelt graag voetbal.

sœur

zus · zuster
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Ma sœur habite à Lyon.

Mijn zus woont in Lyon.

mari

echtgenoot · man
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Son mari travaille dans une banque.

Haar man werkt bij een bank.

épouse

echtgenote · vrouw
A2 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Son épouse est médecin.

Zijn vrouw is arts.

voisin

buur · buurman · buurvrouw
A1 zelfstandig naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Mon voisin est très gentil.

Mijn buurman is erg aardig.

personne

persoon · niemand
A1 zelfstandig naamwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Il n'y a personne dans la rue.

Er is niemand op straat.

collègue

collega
A2 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Je déjeune avec mes collègues.

Ik lunch met mijn collega's.

travail

werk · baan
A1 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Je vais au travail en train.

Ik ga met de trein naar mijn werk.

étudiant

student
A1 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Mon frère est étudiant à Paris.

Mijn broer is student in Parijs.

élève

leerling · scholier
A1 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Cet élève apprend très vite.

Deze leerling leert erg snel.

réponse

antwoord · reactie
A1 zelfstandig naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je connais la réponse.

Ik weet het antwoord.

page

pagina · bladzijde
A1 zelfstandig naamwoord
Taal
Voorbeeldzin bekijken

Lisez la page dix.

Lees pagina tien.

mot

woord
A1 zelfstandig naamwoord
Taal
Voorbeeldzin bekijken

Je ne connais pas ce mot.

Ik ken dit woord niet.

phrase

zin · uitdrukking
A1 zelfstandig naamwoord
Taal
Voorbeeldzin bekijken

Cette phrase est facile à comprendre.

Deze zin is gemakkelijk te begrijpen.

anglais

Engels · Engelse
A1 bijvoeglijk naamwoord
Taal
Voorbeeldzin bekijken

Je parle anglais et français.

Ik spreek Engels en Frans.

expliquer

uitleggen · verklaren
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Pouvez-vous expliquer cette règle ?

Kunt u deze regel uitleggen?

penser

denken · vinden
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je pense que c'est une bonne idée.

Ik denk dat het een goed idee is.

croire

geloven · denken
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je crois qu'il est déjà parti.

Ik denk dat hij al vertrokken is.

oublier

vergeten
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

N'oublie pas tes clés.

Vergeet je sleutels niet.

se souvenir

zich herinneren
B1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je me souviens de cette journée.

Ik herinner me deze dag.

essayer

proberen · testen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je vais essayer de comprendre.

Ik ga proberen het te begrijpen.

réussir

slagen · lukken
B1 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Elle a réussi son examen.

Ze is geslaagd voor haar examen.

perdre

verliezen · kwijtraken
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je ne veux pas perdre mes clés.

Ik wil mijn sleutels niet kwijtraken.

continuer

doorgaan · voortzetten
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Il continue à travailler malgré la fatigue.

Hij blijft werken ondanks de vermoeidheid.

décider

beslissen · besluiten
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Nous devons décider aujourd'hui.

We moeten vandaag beslissen.

préférer

liever hebben · verkiezen
A2 werkwoord
Gevoelens
Voorbeeldzin bekijken

Je préfère le thé au café.

Ik heb liever thee dan koffie.

proposer

voorstellen · aanbieden
B1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je propose de commencer à huit heures.

Ik stel voor om om acht uur te beginnen.

refuser

weigeren · afwijzen
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Il refuse de répondre à la question.

Hij weigert de vraag te beantwoorden.

téléphoner

bellen · telefoneren
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je téléphone à mon ami ce soir.

Ik bel mijn vriend vanavond.

recevoir

ontvangen · krijgen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'ai reçu un message ce matin.

Ik heb vanmorgen een bericht ontvangen.

porter

dragen · meenemen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Il porte une chemise blanche.

Hij draagt een wit overhemd.

laisser

laten · achterlaten
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Laisse-moi réfléchir.

Laat me nadenken.

montrer

tonen · laten zien
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Pouvez-vous me montrer le chemin ?

Kunt u mij de weg wijzen?

casser

breken · kapotmaken
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Attention, tu vas casser le verre.

Pas op, je gaat het glas breken.

nettoyer

schoonmaken · reinigen
A2 werkwoord
Huis
Voorbeeldzin bekijken

Je nettoie la cuisine le samedi.

Ik maak de keuken op zaterdag schoon.

remplir

vullen · invullen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Veuillez remplir ce formulaire.

Vul dit formulier alstublieft in.

couper

snijden · knippen
A1 werkwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Je coupe le pain en deux.

Ik snijd het brood doormidden.

dîner

dineren · avondeten
A1 werkwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Nous dînons au restaurant ce soir.

We eten vanavond in een restaurant.

soif

dorst
A1 zelfstandig naamwoord
Gezondheid
Voorbeeldzin bekijken

J'ai soif, je voudrais de l'eau.

Ik heb dorst, ik wil graag water.

pain

brood
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

J'achète du pain à la boulangerie.

Ik koop brood bij de bakker.

eau

water
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Je bois beaucoup d'eau.

Ik drink veel water.

lait

melk
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Les enfants boivent du lait le matin.

De kinderen drinken 's ochtends melk.

thé

thee
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Je prends un thé après le déjeuner.

Ik neem thee na de lunch.

fruit

fruit
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Je mange beaucoup de fruits.

Ik eet veel fruit.

viande

vlees
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Je ne mange pas beaucoup de viande.

Ik eet niet veel vlees.

poisson

vis
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Le poisson est frais.

De vis is vers.

restaurant

restaurant
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Ce restaurant est très populaire.

Dit restaurant is erg populair.

prix

prijs
A1 zelfstandig naamwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Quel est le prix de cette veste ?

Wat is de prijs van deze jas?

gratuit

gratis · kosteloos
A2 bijvoeglijk naamwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

L'entrée est gratuite pour les enfants.

De toegang is gratis voor kinderen.

compte

rekening · account
A2 zelfstandig naamwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Pouvez-vous apporter l'addition, s'il vous plaît ?

Kunt u de rekening brengen, alstublieft?

conduire

rijden · besturen
A2 werkwoord
Vervoer
Voorbeeldzin bekijken

Je sais conduire une voiture.

Ik kan autorijden.

courir

rennen · hardlopen
A1 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je cours trois fois par semaine.

Ik hardloop drie keer per week.

réveiller

wakker maken · wekken
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Le réveil me réveille à sept heures.

De wekker maakt me om zeven uur wakker.

coucher

naar bed brengen · naar bed gaan
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je me couche à onze heures.

Ik ga om elf uur naar bed.

habiller

aankleden · kleden
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je m'habille rapidement le matin.

Ik kleed me 's ochtends snel aan.

matin

ochtend · morgen
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je travaille le matin.

Ik werk 's ochtends.

mauvais

slecht · verkeerd
A1 bijvoeglijk naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

C'est une mauvaise idée.

Dat is een slecht idee.

meilleur

beter · beste
A2 bijvoeglijk naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Ce restaurant est meilleur que l'autre.

Dit restaurant is beter dan het andere.

mettre

zetten · leggen · aandoen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je mets mon manteau.

Ik doe mijn jas aan.

monde

wereld · mensen
A1 zelfstandig naamwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Il y a beaucoup de monde ici.

Er zijn hier veel mensen.

mois

maand · maanden
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je reste en France pendant un mois.

Ik blijf een maand in Frankrijk.

moment

moment · ogenblik
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Attends un moment, s'il te plaît.

Wacht even, alsjeblieft.

musique

muziek
A1 zelfstandig naamwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

J'écoute de la musique tous les jours.

Ik luister elke dag naar muziek.

nuit

nacht
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je dors huit heures par nuit.

Ik slaap acht uur per nacht.

nouveau

nieuw · nieuwe
A1 bijvoeglijk naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'ai un nouveau téléphone.

Ik heb een nieuwe telefoon.

numéro

nummer
A1 zelfstandig naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Quel est ton numéro de téléphone ?

Wat is je telefoonnummer?

ouvrir

openen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Peux-tu ouvrir la fenêtre ?

Kun je het raam openen?

parler

praten · spreken
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je parle français avec mes amis.

Ik spreek Frans met mijn vrienden.

partir

vertrekken · weggaan
A1 werkwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Nous partons demain matin.

We vertrekken morgenochtend.

passer

voorbijgaan · doorbrengen · passeren
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Nous passons la soirée chez nos amis.

We brengen de avond door bij onze vrienden.

payer

betalen
A2 werkwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Je voudrais payer par carte.

Ik wil graag met de kaart betalen.

petit

klein · kleine
A1 bijvoeglijk naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'habite dans un petit appartement.

Ik woon in een klein appartement.

place

plaats · plek · zitplaats
A1 zelfstandig naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Il n'y a plus de place dans la voiture.

Er is geen plaats meer in de auto.

plaisir

plezier · genoegen
A1 zelfstandig naamwoord
Gevoelens
Voorbeeldzin bekijken

C'est un plaisir de te revoir.

Het is een plezier om je weer te zien.

porte

deur
A1 zelfstandig naamwoord
Huis
Voorbeeldzin bekijken

Ferme la porte, s'il te plaît.

Doe de deur dicht, alsjeblieft.

prendre

nemen · pakken
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je prends le bus à huit heures.

Ik neem om acht uur de bus.

premier

eerste
A1 bijvoeglijk naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

C'est mon premier jour de travail.

Het is mijn eerste werkdag.

près

dichtbij · nabij
A2 bijwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'habite près de la gare.

Ik woon dichtbij het station.

problème

probleem
A1 zelfstandig naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Nous avons un petit problème.

We hebben een klein probleem.

professeur

leraar · docent
A1 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Le professeur explique la leçon.

De leraar legt de les uit.

question

vraag
A1 zelfstandig naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

J'ai une question.

Ik heb een vraag.

regarder

kijken · bekijken
A1 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous regardons un film ce soir.

We kijken vanavond een film.

répondre

antwoorden · reageren
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Elle répond à mon message.

Ze antwoordt op mijn bericht.

repas

maaltijd
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Le repas est prêt.

De maaltijd is klaar.

rester

blijven
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je reste à la maison aujourd'hui.

Ik blijf vandaag thuis.

revenir

terugkomen · terugkeren
A2 werkwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Je vais revenir demain.

Ik kom morgen terug.

rue

straat
A1 zelfstandig naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'habite dans cette rue.

Ik woon in deze straat.

savoir

weten · kunnen
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je ne sais pas la réponse.

Ik weet het antwoord niet.

semaine

week
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je travaille cinq jours par semaine.

Ik werk vijf dagen per week.

soir

avond
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous mangeons ensemble le soir.

We eten 's avonds samen.

sortir

uitgaan · naar buiten gaan
A1 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous sortons ce soir.

We gaan vanavond uit.

souvent

vaak · dikwijls
A1 bijwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je vais souvent au cinéma.

Ik ga vaak naar de bioscoop.

travailler

werken
A1 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Je travaille dans une école.

Ik werk op een school.

trouver

vinden
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je cherche mes clés, mais je ne les trouve pas.

Ik zoek mijn sleutels, maar ik kan ze niet vinden.

utiliser

gebruiken
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Comment puis-je utiliser cette machine ?

Hoe kan ik deze machine gebruiken?

vendre

verkopen
A2 werkwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Ils vendent leur ancienne voiture.

Ze verkopen hun oude auto.

venir

komen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Tu viens avec nous ?

Kom je met ons mee?

vivre

leven · wonen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Elle vit en France depuis cinq ans.

Ze woont al vijf jaar in Frankrijk.

voir

zien · bekijken
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je vois mes amis demain.

Ik zie mijn vrienden morgen.

vouloir

willen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je veux apprendre le français.

Ik wil Frans leren.

voiture

auto · wagen
A1 zelfstandig naamwoord
Vervoer
Voorbeeldzin bekijken

Ma voiture est devant la maison.

Mijn auto staat voor het huis.

vrai

echt · waar
A1 bijvoeglijk naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

C'est une histoire vraie.

Het is een waargebeurd verhaal.

vite

snel · vlug
A1 bijwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Il marche très vite.

Hij loopt heel snel.

visiter

bezoeken
A1 werkwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Nous visitons Paris pendant les vacances.

We bezoeken Parijs tijdens de vakantie.

voyage

reis
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Notre voyage en France commence demain.

Onze reis naar Frankrijk begint morgen.

vacances

vakantie · vakanties
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Nous partons en vacances en juillet.

We gaan in juli op vakantie.

valise

koffer
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Ma valise est très lourde.

Mijn koffer is erg zwaar.

hôtel

hotel
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Nous avons réservé un hôtel près de la plage.

We hebben een hotel vlak bij het strand geboekt.

gare

station · treinstation
A1 zelfstandig naamwoord
Vervoer
Voorbeeldzin bekijken

La gare est à dix minutes d'ici.

Het station is tien minuten hiervandaan.

train

trein
A1 zelfstandig naamwoord
Vervoer
Voorbeeldzin bekijken

Le train arrive à neuf heures.

De trein komt om negen uur aan.

billet

kaartje · ticket
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

J'ai acheté un billet de train.

Ik heb een treinkaartje gekocht.

chemin

weg · pad · route
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Nous suivons le chemin jusqu'au village.

We volgen het pad naar het dorp.

plage

strand
A1 zelfstandig naamwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Les enfants jouent sur la plage.

De kinderen spelen op het strand.

montagne

berg
A1 zelfstandig naamwoord
Natuur
Voorbeeldzin bekijken

Nous allons à la montagne en hiver.

We gaan in de winter naar de bergen.

mer

zee
A1 zelfstandig naamwoord
Natuur
Voorbeeldzin bekijken

La mer est très calme aujourd'hui.

De zee is vandaag heel rustig.

soleil

zon
A1 zelfstandig naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

Il y a beaucoup de soleil aujourd'hui.

Er is vandaag veel zon.

pluie

regen
A1 zelfstandig naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

La pluie commence ce matin.

De regen begint vanochtend.

neige

sneeuw
A1 zelfstandig naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

Il y a de la neige sur la route.

Er ligt sneeuw op de weg.

vent

wind
A1 zelfstandig naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

Il y a beaucoup de vent aujourd'hui.

Er staat vandaag veel wind.

chaud

warm · heet
A1 bijvoeglijk naamwoord
Weer
Voorbeeldzin bekijken

Il fait très chaud aujourd'hui.

Het is vandaag erg warm.

saison

seizoen
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Quelle est ta saison préférée ?

Wat is je favoriete seizoen?

printemps

lente · voorjaar
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Au printemps, les fleurs commencent à pousser.

In de lente beginnen de bloemen te groeien.

été

zomer
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

En été, nous allons souvent à la plage.

In de zomer gaan we vaak naar het strand.

automne

herfst · najaar
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

En automne, les feuilles changent de couleur.

In de herfst veranderen de bladeren van kleur.

janvier

januari
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Mon anniversaire est en janvier.

Mijn verjaardag is in januari.

mars

maart
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Le printemps commence en mars.

De lente begint in maart.

avril

april
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous sommes en avril.

Het is april.

juillet

juli
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous partons en juillet.

We vertrekken in juli.

août

augustus
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

En août, beaucoup de Français sont en vacances.

In augustus zijn veel Fransen op vakantie.

septembre

september
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Les cours commencent en septembre.

De lessen beginnen in september.

octobre

oktober
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Il fait frais en octobre.

In oktober is het fris.

novembre

november
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

En novembre, il fait déjà assez froid.

In november is het al behoorlijk koud.

lundi

maandag
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je travaille lundi.

Ik werk maandag.

mardi

dinsdag
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Le magasin est fermé mardi.

De winkel is dinsdag gesloten.

mercredi

woensdag
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous avons un cours mercredi.

We hebben woensdag een les.

jeudi

donderdag
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je vais au cinéma jeudi.

Ik ga donderdag naar de bioscoop.

vendredi

vrijdag
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Nous mangeons au restaurant vendredi soir.

We eten vrijdagavond in een restaurant.

samedi

zaterdag
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Je ne travaille pas samedi.

Ik werk zaterdag niet.

dimanche

zondag
A1 zelfstandig naamwoord
Tijd
Voorbeeldzin bekijken

Le dimanche, je rends visite à ma famille.

Op zondag bezoek ik mijn familie.

famille

familie · gezin
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Ma famille habite en France.

Mijn familie woont in Frankrijk.

père

vader
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Mon père travaille à Paris.

Mijn vader werkt in Parijs.

mère

moeder
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Ma mère aime cuisiner.

Mijn moeder houdt van koken.

parents

ouders
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Mes parents vivent à Lyon.

Mijn ouders wonen in Lyon.

fille

meisje · dochter
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Ma fille va à l'école.

Mijn dochter gaat naar school.

sœur

zus · zuster
A1 zelfstandig naamwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Ma sœur habite près de chez moi.

Mijn zus woont bij mij in de buurt.

voisin

buur · buurman · buurvrouw
A1 zelfstandig naamwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Mon voisin est très gentil.

Mijn buurman is erg aardig.

personne

persoon · niemand
A1 zelfstandig naamwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Il y a beaucoup de personnes dans la rue.

Er zijn veel mensen op straat.

travail

werk
A1 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Je commence le travail à huit heures.

Ik begin om acht uur met werken.

emploi

baan · betrekking
A2 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Elle cherche un nouvel emploi.

Ze zoekt een nieuwe baan.

classe

klas
A1 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Les élèves sont dans la classe.

De leerlingen zijn in de klas.

élève

leerling
A1 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

L'élève lit un livre.

De leerling leest een boek.

examen

examen · toets
A2 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

J'ai un examen demain matin.

Ik heb morgenochtend een examen.

étudier

studeren · leren
A1 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

J'étudie le français tous les soirs.

Ik studeer elke avond Frans.

réponse

antwoord
A1 zelfstandig naamwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je connais la réponse.

Ik weet het antwoord.

page

pagina · bladzijde
A1 zelfstandig naamwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Lisez la page dix.

Lees pagina tien.

mot

woord
A1 zelfstandig naamwoord
Taal
Voorbeeldzin bekijken

Je ne comprends pas ce mot.

Ik begrijp dit woord niet.

phrase

zin
A1 zelfstandig naamwoord
Taal
Voorbeeldzin bekijken

Cette phrase est facile à comprendre.

Deze zin is gemakkelijk te begrijpen.

langue

taal
A1 zelfstandig naamwoord
Taal
Voorbeeldzin bekijken

Le français est une belle langue.

Frans is een mooie taal.

penser

denken · vinden
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je pense que c'est une bonne idée.

Ik denk dat het een goed idee is.

croire

geloven · denken
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je crois qu'il a raison.

Ik denk dat hij gelijk heeft.

oublier

vergeten
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

N'oublie pas tes clés.

Vergeet je sleutels niet.

se souvenir

zich herinneren
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je me souviens de cette journée.

Ik herinner me deze dag.

réussir

slagen · lukken
A2 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Elle a réussi son examen.

Ze is geslaagd voor haar examen.

perdre

verliezen · kwijtraken
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je ne veux pas perdre mes clés.

Ik wil mijn sleutels niet kwijtraken.

changer

veranderen · wijzigen · wisselen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je voudrais changer de place.

Ik zou graag van plaats wisselen.

arrêter

stoppen · ophouden
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Il faut arrêter de parler.

Je moet stoppen met praten.

décider

beslissen · besluiten
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Nous devons décider aujourd'hui.

We moeten vandaag beslissen.

préférer

verkiezen · liever hebben
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je préfère le thé au café.

Ik heb liever thee dan koffie.

proposer

voorstellen · aanbieden
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je peux vous proposer une solution.

Ik kan u een oplossing voorstellen.

accepter

accepteren · aannemen
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

J'accepte votre proposition.

Ik accepteer uw voorstel.

refuser

weigeren · afwijzen
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Il refuse de répondre à la question.

Hij weigert de vraag te beantwoorden.

appeler

bellen · noemen · roepen
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je vais appeler mon frère.

Ik ga mijn broer bellen.

téléphoner

telefoneren · bellen
A1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je vais lui téléphoner ce soir.

Ik ga hem vanavond bellen.

recevoir

ontvangen · krijgen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'ai reçu une lettre hier.

Ik heb gisteren een brief ontvangen.

apporter

brengen · meebrengen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Peux-tu apporter du pain ?

Kun je brood meebrengen?

porter

dragen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Il porte une grande valise.

Hij draagt een grote koffer.

créer

creëren · maken · oprichten
A2 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Nous voulons créer un nouveau projet.

We willen een nieuw project creëren.

construire

bouwen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Ils construisent une nouvelle maison.

Ze bouwen een nieuw huis.

casser

breken · kapotmaken
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Attention, tu vas casser le verre.

Pas op, je gaat het glas breken.

nettoyer

schoonmaken · reinigen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je dois nettoyer la cuisine.

Ik moet de keuken schoonmaken.

laver

wassen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je vais laver mes vêtements.

Ik ga mijn kleren wassen.

remplir

vullen · invullen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Veuillez remplir ce formulaire.

Vul dit formulier alstublieft in.

cuire

koken · bakken · garen
A2 werkwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Je fais cuire les légumes.

Ik kook de groenten.

manger

eten
A1 werkwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Nous mangeons ensemble ce soir.

We eten vanavond samen.

soif

dorst
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Après le sport, j'ai très soif.

Na het sporten heb ik veel dorst.

pain

brood
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

J'achète du pain à la boulangerie.

Ik koop brood bij de bakker.

eau

water
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Je voudrais un verre d'eau.

Ik wil graag een glas water.

thé

thee
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Je prends un thé après le déjeuner.

Ik neem na de lunch een thee.

légume

groente
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Les légumes sont bons pour la santé.

Groenten zijn goed voor de gezondheid.

viande

vlees
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Je ne mange pas beaucoup de viande.

Ik eet niet veel vlees.

poisson

vis
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Le poisson est très frais.

De vis is erg vers.

fromage

kaas
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

J'aime beaucoup ce fromage.

Ik vind deze kaas erg lekker.

gâteau

taart · cake · gebak
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Nous préparons un gâteau pour son anniversaire.

We maken een taart voor zijn verjaardag.

restaurant

restaurant
A1 zelfstandig naamwoord
Eten & drinken
Voorbeeldzin bekijken

Nous allons au restaurant ce soir.

We gaan vanavond naar het restaurant.

magasin

winkel
A1 zelfstandig naamwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Ce magasin ouvre à neuf heures.

Deze winkel gaat om negen uur open.

argent

geld
A1 zelfstandig naamwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Je n'ai pas assez d'argent.

Ik heb niet genoeg geld.

prix

prijs
A1 zelfstandig naamwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Quel est le prix de cette chemise ?

Wat is de prijs van dit overhemd?

cher

duur · lief
A1 bijvoeglijk naamwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Cette voiture est trop chère.

Deze auto is te duur.

carte

kaart · bankkaart · menukaart
A1 zelfstandig naamwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Je paie par carte.

Ik betaal met de kaart.

banque

bank
A1 zelfstandig naamwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

La banque est près de la gare.

De bank is vlak bij het station.

marcher

lopen · wandelen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Nous aimons marcher dans le parc.

We wandelen graag in het park.

se réveiller

wakker worden
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je me réveille à sept heures.

Ik word om zeven uur wakker.

se coucher

naar bed gaan
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je me couche à onze heures.

Ik ga om elf uur naar bed.

s'habiller

zich aankleden
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je m'habille rapidement le matin.

Ik kleed me 's ochtends snel aan.

adorer

dol zijn op · aanbidden
A1 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

J'adore écouter de la musique.

Ik luister ontzettend graag naar muziek.

admettre

toegeven · erkennen
B2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Il doit admettre qu'il s'est trompé.

Hij moet toegeven dat hij zich heeft vergist.

avancer

vooruitgaan · naar voren gaan
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Nous avançons lentement dans la rue.

We gaan langzaam vooruit in de straat.

atteindre

bereiken
B1 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Elle a atteint son objectif cette année.

Ze heeft dit jaar haar doel bereikt.

augmenter

verhogen · toenemen · stijgen
B1 werkwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Les prix continuent d'augmenter.

De prijzen blijven stijgen.

baisser

verlagen · dalen · zakken
B1 werkwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Le magasin a baissé ses prix.

De winkel heeft zijn prijzen verlaagd.

battre

slaan · verslaan · kloppen
B1 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

Notre équipe a battu ses adversaires.

Ons team heeft zijn tegenstanders verslagen.

bénéficier

profiteren · voordeel hebben
B2 werkwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Les étudiants bénéficient d'une réduction.

Studenten krijgen een korting.

bloquer

blokkeren · tegenhouden
B1 werkwoord
Vervoer
Voorbeeldzin bekijken

Un accident bloque la route.

Een ongeluk blokkeert de weg.

brûler

branden · verbranden
A2 werkwoord
Huis
Voorbeeldzin bekijken

Attention, le gâteau peut brûler.

Pas op, de taart kan verbranden.

cacher

verbergen · verstoppen
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Il cache la clé sous la table.

Hij verstopt de sleutel onder de tafel.

calculer

berekenen · rekenen
A2 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Je dois calculer le prix total.

Ik moet de totale prijs berekenen.

célébrer

vieren
A2 werkwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Nous célébrons son anniversaire ce soir.

We vieren vanavond zijn verjaardag.

partager

delen · verdelen
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Nous partageons souvent nos idées.

We delen vaak onze ideeën.

discuter

bespreken · discussiëren
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Nous discutons de nos projets.

We bespreken onze plannen.

découvrir

ontdekken
A2 werkwoord
Reizen & vakantie
Voorbeeldzin bekijken

Nous voulons découvrir cette ville.

We willen deze stad ontdekken.

déplacer

verplaatsen · verschuiven
B1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Pouvez-vous déplacer cette chaise ?

Kunt u deze stoel verplaatsen?

décrire

beschrijven
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Pouvez-vous décrire la personne ?

Kunt u de persoon beschrijven?

développer

ontwikkelen · uitbreiden
B1 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Elle veut développer ses compétences.

Ze wil haar vaardigheden ontwikkelen.

emprunter

lenen
B1 werkwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Je voudrais emprunter de l'argent à la banque.

Ik zou geld van de bank willen lenen.

éviter

vermijden · voorkomen
B1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

J'essaie d'éviter les embouteillages.

Ik probeer files te vermijden.

exister

bestaan
B1 werkwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Cette tradition existe depuis longtemps.

Deze traditie bestaat al lange tijd.

fermer

sluiten · dichtdoen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

N'oubliez pas de fermer la porte.

Vergeet niet de deur te sluiten.

fournir

leveren · verschaffen
B2 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

L'entreprise fournit des services de qualité.

Het bedrijf levert kwaliteitsvolle diensten.

former

opleiden · vormen · trainen
B1 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

L'entreprise forme ses nouveaux employés.

Het bedrijf leidt zijn nieuwe werknemers op.

imaginer

zich voorstellen · bedenken
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

J'imagine une grande maison près de la mer.

Ik stel me een groot huis bij de zee voor.

améliorer

verbeteren
B1 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Je veux améliorer mon français.

Ik wil mijn Frans verbeteren.

inclure

opnemen · inbegrepen zijn
B1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Le prix inclut le petit déjeuner.

De prijs is inclusief ontbijt.

installer

installeren · plaatsen
B1 werkwoord
Huis
Voorbeeldzin bekijken

Nous allons installer une nouvelle lampe.

We gaan een nieuwe lamp installeren.

intéresser

interesseren
A2 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

Ce livre m'intéresse beaucoup.

Dit boek interesseert me erg.

lancer

gooien · lanceren · starten
B1 werkwoord
Vrije tijd
Voorbeeldzin bekijken

Il lance le ballon à son frère.

Hij gooit de bal naar zijn broer.

manquer

missen · ontbreken
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Tu me manques beaucoup.

Ik mis je erg.

mériter

verdienen · waard zijn
B1 werkwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Tu mérites une récompense.

Je verdient een beloning.

naître

geboren worden · ontstaan
A2 werkwoord
Familie
Voorbeeldzin bekijken

Elle est née en France.

Ze is in Frankrijk geboren.

noter

noteren · opschrijven
A2 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Je note mon adresse sur un papier.

Ik schrijf mijn adres op een papiertje.

obtenir

krijgen · verkrijgen · behalen
B1 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Il a obtenu de très bons résultats.

Hij heeft zeer goede resultaten behaald.

offrir

aanbieden · cadeau geven
A2 werkwoord
Winkelen & geld
Voorbeeldzin bekijken

Je vais lui offrir un livre.

Ik ga hem een boek cadeau geven.

participer

deelnemen · meedoen
A2 werkwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Tout le monde peut participer à l'activité.

Iedereen kan aan de activiteit deelnemen.

permettre

toestaan · mogelijk maken
B1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Cette carte permet de voyager gratuitement.

Met deze kaart kun je gratis reizen.

préparer

voorbereiden · klaarmaken
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je prépare le dîner pour ma famille.

Ik maak het avondeten voor mijn familie klaar.

présenter

voorstellen · presenteren
A2 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je vais vous présenter mon collègue.

Ik ga mijn collega aan u voorstellen.

protéger

beschermen · beveiligen
B1 werkwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Nous devons protéger la nature.

We moeten de natuur beschermen.

rappeler

herinneren · terugbellen
B1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Rappelle-moi demain matin.

Bel me morgenochtend terug.

réaliser

realiseren · uitvoeren · beseffen
B1 werkwoord
School & werk
Voorbeeldzin bekijken

Elle a réalisé son rêve.

Ze heeft haar droom gerealiseerd.

reconnaître

herkennen · erkennen
B1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je reconnais cette personne.

Ik herken deze persoon.

rencontrer

ontmoeten · tegenkomen
A1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je rencontre mes amis après le travail.

Ik ontmoet mijn vrienden na het werk.

remplacer

vervangen
B1 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Nous devons remplacer cette vieille porte.

We moeten deze oude deur vervangen.

représenter

vertegenwoordigen · voorstellen
B2 werkwoord
Maatschappij
Voorbeeldzin bekijken

Il représente son pays à l'étranger.

Hij vertegenwoordigt zijn land in het buitenland.

souhaiter

wensen · hopen
B1 werkwoord
Communicatie
Voorbeeldzin bekijken

Je vous souhaite une bonne journée.

Ik wens u een fijne dag.

vérifier

controleren · nakijken
A2 werkwoord
Dagelijks leven
Voorbeeldzin bekijken

Je vais vérifier l'adresse avant de partir.

Ik ga het adres controleren voordat ik vertrek.

Deze Franse woordenlijst bevat Franse woorden met Nederlandse vertaling, voorbeeldzinnen, CEFR-niveaus en categorieën voor verschillende niveaus van A1 tot en met C1.